Wat kunnen we leren uit een Meetnet Agrarische Soorten?

Interview met Johannes Jansen (INBO)

10 september 2023

Vorig jaar startte het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) een pilootproject rond een Meetnet voor Agrarische Soorten, kortweg MAS genoemd. De ambitie is om dit nieuwe meetnet vanaf volgend jaar in alle landbouwgebieden van Vlaanderen uit te rollen. In het pilootproject werd het nieuwe INBO meetnet geproefdraaid in de Leemstreek en Westhoek, waar ze continuïteit gaven aan eerdere MAS-tellingen die er sinds 2016 door professionals en vrijwilligers werden uitgevoerd naar aanleiding van het Soortbeschermingsprogramma Grauwe Kiekendief. Waarom zo'n meetnet belangrijk is en wat er wél en niet uit kunnen leren, vragen we aan Johannes Jansen, projectleider bij het INBO. 

Waarom is het belangrijk dat agrarische soorten specifiek worden opgevolgd en over welke soorten gaat het dan eigenlijk?

Agrarische soorten zijn vogels en dieren die hoofdzakelijk of deels het landbouwgebied als leefgebied gebruiken. We volgen vooral boerenlandvogels op, in de brede zin van het woord, en tevens een aantal zoogdieren zoals haas. Alle vogelsoorten worden geteld, maar het is vooral van belang voor de akkervogels. Deze groep vogels is in de laatste decennia fel achteruit gegaan en blijft ook vandaag sterk onder druk staan. We hebben het dan over de veldleeuwerik, gele kwikstaart, grauwe gors, geelgors, patrijs, kievit etc. Ondanks de sterke afname, weten we eigenlijk niet exact waar en wanneer die achteruitgang het sterkst is, en waar er nog kernpopulaties zitten.

Veldleeuwerik
Geelgors
Gele kwikstaart


Wie jullie publicaties opvolgt, stelt vast dat er al flink geteld wordt in Vlaanderen. Zo werkt INBO samen met Natuurpunt een update van de Vlaamse broedvogelatlas en wordt er sinds 2007 in heel Vlaanderen geteld voor het ABV-project (Algemene Broedvogels). Volstaat dat niet om iets over onze agrarische soorten te kunnen zeggen? 

Dat klopt, vogels is een populaire groep bij vrijwilligers waar al heel wat wordt geteld. De nieuwe Vlaamse broedvogelatlas is een belangrijke publicatie. Ze zal veel informatie opleveren over de verspreiding en dichtheden van alle vogelsoorten die voorkomen in gans Vlaanderen. Maar deze broedvogelatlas is een momentopname en geen meetnet. We zullen nu, 20 jaar na de vorige atlas, weten waar soorten het beter al dan niet slechter doen en in welke streken nieuwe soorten opduiken of andere volledig verdwenen zijn. Wat er gedurende die 20 jaar precies gebeurde, blijft een groot zwart gat. Een meetnet kan dat wel.

De Vlaamse broedvogelatlas is een momentopname die ons, 20 jaar na de vorige atlas, informatie geeft over de verspreiding en dichtheden van alle vogelsoorten in Vlaanderen. Maar zo'n atlas leert ons niet wat er gedurende die 20 jaar precies gebeurde.  

Uit de ABV-tellingen kunnen we een index berekenen over de toestand van vogelsoorten in Vlaanderen. We doen dat in alle mogelijke habitats en dus ook in landbouwgebied, maar de precisie van de steekproef en de frequentie van de tellingen (om de 3 jaar) laat ons enkel toe om uitspraken te doen over trends op schaal Vlaanderen. De steekproef dekt onvoldoende landbouwgebied om betrouwbare uitspraken te doen op meer regionale en lokale schaal. 
 

Johannes Jansen (rechts) en Nicolas Van Overmeeren tijdens MAS-telling

Veel vragen over onze agrarische soorten blijven vandaag onbeantwoord. Daarvoor hebben we een preciezer en frequenter meetnet nodig. Dat is nodig om de vinger aan de pols te kunnen houden van soorten die kwetsbaar of ernstig bedreigd zijn.

Johannes Jansen, INBO


 


Veel vragen blijven vandaag dus onbeantwoord: waar zitten er nog kernpopulaties van veldleeuweriken en gele kwikstaart, en gaan die daar vooruit of achteruit? Is er een verband tussen de inspanningen die lokaal voor akkervogels worden geleverd (bv. gebieden met veel beheerovereenkomsten) en de trends van zo’n lokale populatie? Worden die inspanningen op de juiste plek gedaan, met name waar bronpopulaties terug kunnen uitbreiden? Of spelen andere factoren zoals teeltverschuivingen of landbouwtechnieken mee? Dat weten we eigenlijk niet, daarvoor hebben we een preciezer, frequenter meetnet nodig, dat wél de vinger aan de pols houdt van landbouwvogels die kwetsbaar of ernstig bedreigd zijn. 

De noodzaak voor een gericht meetnet in landbouwgebied is daarmee onderbouwd. Hoe krijgt zo'n Meetnet voor Agrarische Soorten (MAS) vorm op terrein?  

We hebben het wiel niet moeten heruitvinden en nemen met MAS een efficiënte manier van tellen over uit Nederland. Daarbij worden op alle MAS-punten gedurende 10 minuten met een app alle vastgestelde vogels en zoogdieren binnen een straal van 300 meter ingevoerd op kaart. Elke vogel krijgt daarbij een broedcode mee. Die stijgt naarmate de waarnemer op terrein indicaties ziet dat de vogel daadwerkelijk een territorium, nest of jongen heeft. Deze tellingen worden elk jaar vier keer uitgevoerd tussen april en half juli. Zo krijgen we over het ganse broedseizoen een getrouw beeld van alle territoria aan akkervogels binnen de telcirkel.

We kijken ook gericht naar haas tijdens de tellingen. Dat is een soort waar we tot nog toe enkel data over hebben via de jaarlijkse afschotcijfers.
 

Ook haas wordt systematisch gemeten in het MAS

 

De ruimtelijke dekking van het MAS-meetnet is een heel stuk fijner dan bij de broedvogelatlas en de ABV-tellingen. Elke landbouwregio krijgt een ruime selectie aan random gekozen telpunten. Voor de dichtheid van het meetnet houden we ook rekening met de openheid van het landschap en met de ligging van een gebied binnen een soortbeschermingsplan voor landbouwsoorten. In die laatste gebieden willen we namelijk preciezer kunnen meten. 

Het meetnet houdt ook verschillende variabelen bij die van belang kunnen zijn om nadien de verzamelde vogelwaarnemingen te verwerken: de variatie aan landbouwteelten, aanwezigheid van grasland, oppervlakte aan beheerovereenkomsten, hoeveelheid kleine landschapselementen, aandeel bebouwing, etc.  Op die manier krijgen we een representatief beeld van hoe akkervogels het doen in elke landbouwstreek.
 

Figuur 1: situering van de twee MAS piloot gebieden, A: De Moeren in het westen van Vlaanderen en B: de Oostelijke leemstreek. De figuur geeft de ligging en verspreiding van de telpunten weer binnen de twee onderzoeksgebieden. De kleur van het punt geeft telkens weer of het zich in open (OL) of halfopen (HOL) landschap bevindt en of het binnen al dan niet buiten een beheergebied voor akkervogels ligt. Deze punten worden sinds 2022 jaarlijks geteld, een aantal ervan zijn verdergezet na tellingen binnen plan kiekendief tussen 2018 en 2021. © Johannes Jansen & Ward Langeraert (INBO)


Het lijkt een huzarenwerk om jaarlijks zoveel meetpunten geteld te krijgen en daar telkens ook op vrijwilligers voor te moeten rekenen? 

In het MAS pilootproject werden ruim de helft van de punten door vrijwilligers geteld. We merken dat we met zo’n 50/50 verhouding de grenzen aftasten voor een dergelijk intensief meetnet. We zullen hier bij verdere opschaling rekening mee moeten houden. Laat ons niet vergeten dat we voor dit pilootproject hebben kunnen rekenen op een geëngageerde kern aan vrijwilligers die eerder al MAS-tellingen had uitgevoerd tussen 2017 en 2021 in het kader van Plan Kiekendief, een monitoring die werd opgestart door het Nederlandse Grauwe Kiekendief- Kenniscentrum Akkervogels ism Werkgroep Grauwe Gors en Natuurwerkgroep De Kerkuil.
 

We proberen vrijwilligers zo veel mogelijk te betrekken bij de uitkomsten van onze tellingen. Dat doen we via tussentijdse resultaten en interessante vaststellingen van relevant buitenlands onderzoek.


Vrijwilligers inzetten betekent ook investeren in vrijwilligers. We voorzien om samen met Vzw Veldwerk workshops, webinars en bijeenkomsten te organiseren om betrokken natuurstudiewerkgroepen en gemobiliseerde vrijwilligers te informeren en te vormen inzake akkervogelonderzoek. We proberen hen ook zo veel mogelijk te betrekken bij de uitkomsten van onze gezamenlijke tellingen via tussentijdse resultaten en interessante vaststellingen van relevant buitenlands onderzoek.
 

Voor vogelmonitoring wordt zo vaak op vrijwilligers gerekend. Is dat eigenlijk altijd even haalbaar?  

Het antwoord hierop is genuanceerd. Enerzijds zien we dat vogelkijkers, vergeleken met pakweg 20 jaar geleden, zich niet meer zo gemakkelijk engageren voor langlopende tellingen in hun vrije tijd. Dat vrijwilligersengagement volatieler is geworden, wordt overigens in gans het middenveld ervaren. 

Het aantal vogelkijkers die vrijwillig dit soort tellingen kan uitvoeren is beperkt, en ook zij moeten keuzes maken aan welke projecten ze meewerken. Je moet een gedegen kennis hebben van vogels, hun gedrag en hun geluiden om MAS tellingen te kunnen uitvoeren, en het vergt wat leertijd om vertrouwd te raken met de werkwijze.
 

Je moet maar eens op een telpunt terecht komen waar je 10 minuten lang niet verder geraakt dan het noteren van een zwarte kraai en een houtduif. Gelukkig zijn er ook punten waar zowel vrijwilliger als professional veel voldoening uit halen.
Die kleine gelukskes worden vlot gedeeld op onze WhatsApp groep.

 

 


Voor wat vrijwilligerswerk rond natuurstudie in landbouwgebied betreft, horen we soms ook wel dat er wordt afgeknapt op de magere toestand van het akkervogelbestand op sommige plekken. Je moet maar eens op een telpunt terecht komen waar je 10 minuten lang niet verder geraakt dan het noteren van een zwarte kraai en een houtduif. Gelukkig zijn er ook punten waar zowel vrijwilliger als professional veel voldoening uit halen. Op onze Whatsapp groep en op social media worden die kleine gelukjes graag gedeeld.
 

Wat is dan de sleutel tot succesvolle akkervogelmonitoring door vrijwilligers?

Voor dit thema zien we toch vooral mensen zich smijten omdat ze geven om akkervogels en omdat ze dat boerenlandschap een boeiende omgeving vinden. Wat hen drijft is het perspectief dat akkervogelbescherming en agrarisch natuurbeheer, ondermeer dankzij hun tellingen, vruchten kan afwerpen. Blijven die uit of zijn er tegenslagen te verwerken, dan voel je dat onmiddellijk aan de moraal. Dat geldt overigens ook voor professionele tellers, die evenzeer werkplezier uit hun passie voor akkervogels halen. 

Een ander belangrijke factor op slagen is de totale omkadering die MAS-vrijwilligers krijgen, en niet alleen wanneer er bv. vanuit het INBO voor dit specifieke project van hen iets verwacht wordt. Akkervogels monitoren gebeurt in het veld dan wel vaak alleen, toch teert het ook op community-vorming. Vrijwilligers willen namelijk ergens 'bij horen'. Vele MAS-tellers doen mee aan dit project vanuit hun persoonlijke betrokkenheid in het helpen keren van de achteruitgang van akkervogels.
 

 

Akkervogelmonitoring gebeurt vaak alleen, toch willen vrijwilligers ergens bij horen. Daarin tonen organisaties als Natuurwerkgroep De Kerkuil, Werkgroep Grauwe Gors en Vzw Veldwerk hun meerwaarde. Daarom werkt INBO met hen samen.


Dat grotere doel is een uitdaging die collectief gedragen wordt. Daarin tonen lokale organisaties als Natuurwerkgroep De Kerkuil en Werkgroep Grauwe Gors, en op bovenlokaal niveau Vzw Veldwerk hun meerwaarde. Daarom werken wij met INBO voor MAS met hen samen en breiden we die samenwerking in de toekomst graag ook uit naar andere organisaties. 

De lokale organisaties hebben een netwerk aan mensen die een jaarrond druk in de weer zijn met een breed palet aan activiteiten. Het valt daar heus niet stil na de MAS-tellingen tijdens het broedseizoen. Bij VZW De Kerkuil volgen nestkast-projecten, excursies en lezingen elkaar het hele jaar door op. Werkgroep Grauwe Gors onderzoekt oa. haar vlaggenschip jaarrond. En met ludieke maar nuttige formats als Kiek’n Gors en grensoverschrijdende webinars faciliteert Vzw Veldwerk ook uitwisseling van kennis en enthousiasme tussen vrijwilligers uit verschillende regio’s. Alle genoemde organisaties pakken dit overigens op een professioneel niveau aan, dat is eigenlijk een vereiste als je vrijwilligers de omkadering wil geven die ze verdienen.

Vrijwilligers hebben dus een grote meerwaarde in akkervogelonderzoek, maar voor een langlopend meetnet als MAS is een professionele basis noodzakelijk? 

Klopt. Omdat we met het MAS-meetnet over meerdere jaren een representatief beeld willen scheppen over de toestand van akkervogels, moeten we het aantal meetpunten in Vlaanderen uitbreiden tot meer dan 1000 punten. We achten het niet haalbaar om op korte termijn  de helft van de punten door vrijwilligers te laten tellen voor meerdere jaren na elkaar. We moeten ons ook behoeden voor het risico op afhakers met gevolgen voor de bruikbaarheid van je dataset. INBO zal dus meer punten professioneel tellen en wel die hoeveelheid die nodig is voor dat betrouwbare beeld. Alle meetpunten die er vervolgens bij komen op vrijwillige basis zijn een bonus en versterken de zeggingskracht van ons meetnet. We mikken bij de uitrol van het MAS op een minimum van 10% vrijwillige telpunten, en streven naar 25% vrijwillig getelde punten als het volledige meetnet enkele jaren draait.

In de Westhoek en de Leemstreek wordt nu al meerdere jaren geteld. De belangrijkste vraag misschien, kunnen we van deze data al iets leren?

Zeker, we kunnen daar al heel wat uit afleiden. We zien al interessante verschillen tussen Westhoek en Leemstreek qua diversiteit en aantallen in soorten. Bij verkennende analyses kunnen we ook al binnen de regio’s zien welke gebieden de hoogste dichtheden aan akkervogels hebben. Dat soort informatie is niet onbelangrijk voor een Soortbeschermingsprogramma Akkervogels, dat zijn pijlen in eerste instantie net wil richten op de meest leefbare populaties aan doelsoorten. 

Dankzij de gedetailleerde invoer op kaart, kunnen we ook al verbanden leggen tussen soorten en hun omringende habitats. Zo kunnen we ook habitatvoorkeuren van soorten documenteren: welke teelten worden verkozen of gemeden, welke permanente landschapselementen spelen een rol, hoeveel oppervlakte en welke landschapskenmerken zijn aanwezig. Om regionale trends te kunnen vaststellen moeten we echter nog enkele jaren verder tellen. 
 

Figuur 2: De grasmus gaat er op vooruit in de oostelijke leemstreek, een trend die de laatste jaren in heel Vlaanderen zichtbaar is. De soort profiteert mogelijks ook van de gestegen hoeveelheid beheerovereenkomsten. In deelgebied de Moeren hebben we voor deze soort niet genoeg gegevens, daar zijn er voorlopig te weinig telpunten die vijf jaar op rij geteld zijn geweest. Voor de oostelijke Leemstreek is er wel voldoende data. Op basis van detectiekans (figuur links) maken we voor elke soort densiteitsberekeningen per soort per jaar per 100ha (figuur rechts). (c) Johannes Jansen & Ward Langeraert (INBO)

 

 

Figuur 3: Op basis van de tellingen in 2022 en 2023 zien we dat de veldleeuwerik significant hogere dichtheden heeft binnen zogenaamd beheergebied voor akkervogels dan er buiten. Dat sterkt de conclusie dat er voor deze soort op de meest kansrijke gebieden ingezet wordt. Deze gebieden werden door het INBO aangeduid als prioritair vanwege hun grotere potentie. Of de soort aangetrokken wordt en profiteert van de oppervlakte beheerovereenkomsten die daar gerealiseerd zijn, kunnen we hiermee niet aantonen. Merk op dat de densiteit van veldleeuwerik in de Moeren ongeveer drie keer lager ligt dan in de oostelijke Leemstreek. Daar is de doelafstand van 15 broedparen veldleeuwerik per 100ha, zoals vooropgesteld in het SBP akkervogels, nog relatief groot. (c) Johannes Jansen & Ward Langeraert (INBO) 


Een landbouwlandschap is bij uitstek onderhevig aan veranderingen. Gewassen veranderen jaarlijks van plaats en over meerdere jaren heen zijn er verschuivingen in soorten teelten. Zijn die ook voelbaar in de MAS-gegevens?

Absoluut, en net om de balans te kunnen maken over akkervogels en daarbij die variatie en verschuivingen in teelten te kunnen mee in rekening brengen is zo’n gedetailleerd meetnet op jaarlijkse basis nodig. Met onze random steekproef houden we de telpunten op dezelfde plaats, maar door ze jaarlijks te tellen capteren we dus wel die diversiteit en dynamiek aan teelten.  We gaan dit ook terugzien in de resultaten van onze tellingen, gezien veel soorten specifieke gewassen verkiezen om in te broeden.

De MAS-pilot loopt in 2023 af, wat brengt volgend jaar? 

Dankzij de ervaringen van voorgaande jaren en het voorbereidende werk van de lopende MAS pilot, staat onze MAS-methode helemaal op punt. We staan dus klaar om MAS in 2024 over heel Vlaanderen uit te rollen en om op die manier, met regionale precisie, trends voor akkervogels op te kunnen volgen. 

Ook willen we volgend jaar de mogelijkheden verder verkennen om op micro-schaal onze kennis over akkervogels bij te spijkeren. Zingende veldleeuweriken worden in onze MAS-databank allemaal met hoge broedcode geregistreerd, maar komen die ook allemaal succesvol tot broeden in een intensief landbouwlandschap? Onder welke omstandigheden boeken ze succes en wanneer niet? Dan gaat het ondermeer over de effectiviteit van GLB-instrumenten zoals de beheerovereenkomsten en de ecoregelingen.  Dat is niet onbelangrijk, want met die informatie kunnen we helpen om dat palet aan GLB-instrumenten te verbeteren. Op die manier lonen door landbouwers geleverde inspanningen beter voor akkervogels en komen ook doelstellingen uit soortbeschermingsprogramma’s in zicht.
 

We staan klaar om MAS in  2024 over heel Vlaanderen uit te rollen. Op die manier gaan we, met regionale precisie, trends voor akkervogels kunnen opvolgen.

 

 


 

Tekst: Freek Verdonckt en Johannes Jansen (INBO)
Foto's: Freek Verdonckt, Johannes Jansen, Nicolas Van Overmeeren

 

Cookies

Deze website maakt mogelijk gebruik van cookies die u in staat stellen om uw ervaring op onze site te personaliseren, ons te vertellen welke delen van onze website mensen hebben bezocht en ons inzicht te geven in het gebruikersgedrag, zodat we onze communicatie en producten kunnen verbeteren.

Instellingen   Info  

OK

Instellingen

Deze cookies zijn essentieel om u in staat te stellen door onze website te bladeren en de functies te gebruiken.
Deze cookies maken het mogelijk informatie op te slaan die de manier waarop een website zich gedraagt of eruitziet verandert, zoals instellingen voor uw voorkeurstaal of regio.
Deze cookies verzamelen informatie over hoe u onze website gebruikt. Deze cookies worden ook gebruikt om affiliates te laten weten of u via een affiliatie naar een van onze websites bent gekomen. Alle informatie die deze cookies verzamelen, wordt geaggregeerd en daarom anoniem.

Info most common cookies

Cookie Name  Value  ExpiresTypedescription